De waterstanden in het oosten van Nederland zijn zo laag, dat Rijkswaterstaat niet meer kan meten hoe diep de vaargeulen zijn. Dit geldt voor de IJssel, de Nederrijn, een groot deel van de Waal en het Pannerdensch Kanaal. Omdat de metingen niet mogelijk zijn, moeten schippers zelf bepalen of ze nog veilig kunnen varen.

De schippers worden aangeraden om voorzichtig te zijn en de situatie op de rivieren te monitoren. Ze moeten zelf inschatten of de waterstanden hun vaarplannen nog toestaan. Dit is een ongewone situatie, omdat Rijkswaterstaat normaal gesproken de waterstanden meet en de vaarwegens veiligheid garandeert.

De laagte van de waterstanden is het gevolg van een langdurige droogte. De rivieren zijn minder diep geworden, waardoor het risico op onveilige vaarreizen toeneemt. De schippers zijn zorgelijk over de situatie, maar hebben geen andere keuze dan zelf te beslissen of ze kunnen varen.

Deze situatie is niet het eerste van haar soort in Nederland. In het verleden zijn er ook perioden geweest waarin de waterstanden laag waren en de vaarwegens moesten worden aangepast. De huidige situatie is echter ernstiger vanwege de combinatie van droogte en het feit dat de metingen niet meer mogelijk zijn.

De overheid zoekt naar oplossingen om de situatie te verbeteren. Er wordt over overleg tussen schippers, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen gesproken. Tot dan is het aan de schippers om zelf te beslissen of ze veilig kunnen varen.